Column september/oktober 2017 nummer van Youmedemblik

Nieuwe regels voor huwelijk

Vanaf 1 januari 2018 trouwen partners niet langer standaard in de algehele gemeenschap van goederen. Ik merk in de praktijk dat veel partners die vanwege een onderneming of een groot vermogensverschil onder het huidig stelsel huwelijkse voorwaarden zouden opstellen, nu denken dat dit vanaf 1 januari 2018 niet meer hoeft. ‘Vanaf volgend jaar is het standaard huwelijkse voorwaarden, toch?’. Dit is een misverstand! De wettelijke gemeenschap van goederen wordt helemaal niet afgeschaft, vanaf volgend jaar is deze echter niet meer algeheel maar beperkt. Van de gemeenschap worden namelijk uitgezonderd goederen die een partner reeds bij aanvang van het huwelijk bezat, alsmede goederen welke een partner gedurende het bestaan van de gemeenschap verkrijgt door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Wat betekent dit voor bijvoorbeeld een onderneming? Is de onderneming reeds vóór het huwelijk gestart, dan blijft dit deel van de onderneming privé. Maar het kan goed zijn dat de onderneming tijdens het huwelijk uitbreidt. Dan wordt de onderneming deels privé en deels gemeenschappelijk. Verder moet een privé onderneming aan de gemeenschap een vergoeding gaan betalen voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot in deze onderneming heeft aangewend. De hoogte van deze vergoeding hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Dit alles is precies wat de ondernemer niet wil. Ik schets graag ook de casus dat partners vóór het huwelijk gezamenlijk een huis hebben gekocht waarbij de ene partner meer heeft betaald dan de helft. De andere partner heeft daardoor een schuld aan de ene partner. Door het huwelijk wordt deze schuld gemeenschappelijk en verarmt de laatstgenoemde partner. Ook dit is onwenselijk. Door de nieuwe wet is er daarom juist extra reden om na te denken over de juridische gevolgen van het huwelijk en om deze vast te leggen in huwelijkse voorwaarden.

Anne Geert de Raad


Column juli/augustus 2017 nummer van Youmedemblik

Voogdij en bewind

Ouders hebben de plicht en het recht om hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Overlijdt één van hen, dan komt dit ouderlijk gezag meestal toe aan de ander. Overlijdt ook deze ouder, dan moet een derde het gezag over dit kind uitoefenen. De rechter zal het gezag toekennen aan een zogenaamde voogd, op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. Voor de naasten van het kind is dit een ingewikkelde en ingrijpende procedure. Het kan eenvoudiger door als ouder in een testament een voogdijbepaling op te nemen. Er wordt dan aan iemand verzocht om voogd te worden. Na het overlijden van de ouders aanvaardt de beoogde voogd de voogdij. Er wordt bijna altijd gekozen voor de zogenaamde eenhoofdige voogdij. Dit betekent dat één persoon tot voogd wordt benoemd. Het is ook mogelijk om twee personen tot gezamenlijke voogden aan te wijzen, maar dan worden deze voogden onderhoudsplichtig in hun eigen inkomen en vermogen en moeten zij het vermogen van het kind in stand houden. Dat is onwenselijk, er is meestal voldoende inkomen en vermogen bij het kind zelf om daaruit te worden grootgebracht. Zodra het kind 18 jaar oud is, vervalt de voogdij en heeft het zelf de beschikking over het vermogen dat het van zijn ouders heeft geërfd. In deze cruciale levensfase van jongvolwassene kan dit onwenselijk zijn. Het is daarom mogelijk om de voogdij te laten opvolgen door een bewind. Gedurende dit bewind kan het kind slechts tezamen met de bewindvoerder, meestal dezelfde persoon als de voogd, over diens vermogen beschikken. Ook de rechter speelt bij het bewind een rol. Heeft het kind een goede bestemming voor het geërfd vermogen maar weigert de bewindvoerder, dan kan het aan de rechter toestemming vragen om het geld toch voor dit doel te gebruiken.

Anne Geert de Raad


Column mei/juni 2017 nummer van Youmedemblik 

Exit gemeenschap van goederen

De kogel is door de kerk. Binnenkort trouwen en registreren partners naar Nederlands recht niet langer standaard in de wettelijke gemeenschap van goederen, een systeem dat naast ons land alleen in Suriname en Zuid-Afrika bestaat. In de afgelopen jaren zijn er meerdere wetsvoorstellen ingediend die allen een einde zouden maken aan het stelsel dat door het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap de beide vermogens van de partners in één gemeenschap van goederen vallen. Telkens haalden deze wetsvoorstellen de eindstreep echter niet. Nu is dat dan toch gebeurd. Op 28 maart 2017 ging de Eerste Kamer bij krappe meerderheid akkoord met een nieuwe wettelijke regeling. Vanaf 1 januari 2018 bestaat nog altijd standaard een wettelijke gemeenschap van goederen, maar deze is beperkt. Van deze gemeenschap zijn namelijk uitgezonderd goederen die een partner reeds bij aanvang van het huwelijk of geregistreerd partnerschap bezat, alsmede goederen welke een partner gedurende het bestaan van de gemeenschap verkrijgt door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Met deze ingrijpende wijziging komt de wetgever tegemoet aan de ontwikkeling dat steeds meer partners een leven lang niet huwen maar samenwonen alsook dat de koude uitsluiting bij huwelijkse voorwaarden snel aan populariteit wint. Er is met andere woorden een duidelijke individualiseringstendens in het recht waar te nemen en de nieuwe regels passen in deze gedachte. Is iedereen dan ook blij met de nieuwe wet? Nou nee, allerminst. Er is met name kritiek op het feit dat straks partners maar liefst vier (!!) vermogens hebben, namelijk het privévermogen van de ene partner, het privévermogen van de andere partner, de huwelijksgemeenschap en ten slotte de gemeenschap die is ontstaan doordat partners vóór hun huwelijk of geregistreerd partnerschap allerlei goederen al samen aanschaften. Bij een latere scheiding kan dit tot veel onduidelijkheid leiden. In een volgende column meer hierover.

Anne Geert de Raad


Column maart/april 2017 nummer van Youmedemblik

Geregistreerd partnerschap?

Het valt mij op dat relatief veel hetero stellen waarvan de vrouw zwanger is, voor het geregistreerd partnerschap kiezen. Ik heb ze dan aan tafel voor de aankoop van het eerste gezinshuis en als ik vraag of ze alles verder goed geregeld hebben, komt het antwoord dat ze, vaak op een maandagochtend, want gratis, een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan en dus ‘alles goed geregeld hebben’. Ik begrijp wat ze bedoelen. Door het geregistreerd partnerschap hoeft de man de tijdens dit geregistreerd partnerschap geboren kinderen niet te erkennen en ook oefenen man en vrouw tezamen het gezag uit over deze kinderen. Het wettelijk erfrecht regelt dat bij het overlijden van één van de partners, het vermogen automatisch wordt toegedeeld aan de langstlevende partner. De kinderen krijgen slechts een niet-opeisbare vordering op hun langstlevende ouder. Ook op het gebied van pensioenen is er het één en ander automatisch geregeld. Maar ondertussen is er wel een gemeenschap van goederen ontstaan. Terwijl één van de partners toch echt ondernemer is. Of er was een groot vermogensverschil. Door het geregistreerd partnerschap verspeel je verder de mogelijkheid om nog een keer getrouwd te worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand: er wordt bij het omzetten van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk nog slechts een omzettingsakte getekend. En wie voedt de minderjarige kinderen verder op als beide ouders wegvallen? Naar wie gaat het vermogen als alle leden van het gezin door een ongeval vlak na elkaar komen te overlijden? Is het niet veel verstandiger om in plaats van het wettelijk erfrecht een tweetrapstestament te maken? Of een testament met AWBZ- en estate plannings-clausules? Moet ‘de koude kant’ niet worden uitgesloten? Het is al met al raadzaam om eerst met een notaris te praten en dan pas te kiezen voor huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst. Welkom!

Anne Geert de Raad


Column januari/februari 2017 nummer van Youmedemblik

Schenken

Het is 2017. Ik praat u graag bij over de jaarlijkse schenkingsvrijstellingen. Schenken houdt veel mensen bezig. Hiervoor zijn verschillende motieven, zoals het besparen van erfbelasting, het verlagen van de eigen bijdrage voor de AWBZ, maar ook het simpelweg willen geven van contanten met de warme hand, tijdens leven. De schenking die jaarlijks belastingvrij kan worden gedaan door de ouder aan het kind bedraagt dit jaar € 5.320,00. Is het kind tussen 18 en 40 jaar oud, dan bestaat de mogelijkheid voor de ouder om eenmalig belastingvrij een schenking te doen van maximaal € 25.526,00. Deze schenkingen kunnen worden gedaan door het kind contant geld te geven of door het bedrag van de schenking over te maken op de bankrekening van het kind. Het is echter ook mogelijk om op papier te schenken. Dit gebeurt bij een notariële akte, waarin de ouders verklaren een bedrag schuldig te zijn aan het kind. Omdat er niets tegenover deze schuldigerkenning staat, wordt dit als een schenking gezien. Het vermogen van de ouder neemt op papier af en het vermogen van het kind neemt toe. Wel zijn er aan deze schuldigerkenning voorwaarden verbonden. Er is met ingang van dit jaar een nieuwe eenmalige schenkingsvrijstelling: een schenking in contanten van maximaal € 100.000,00 aan een persoon die tussen 18 en 40 jaar oud is, is belastingvrij mits dit bedrag verband houdt met verwerving, verbetering of onderhoud van een eigen woning, dan wel dit bedrag wordt gebruikt om een bestaande ‘eigen woning schuld’ of een ‘restschuld na verkoop woning’ af te lossen. Er wordt voor deze vrijstelling geen eis gesteld aan de hoedanigheid van de schenker. Dit mag uiteraard de ouder van de begiftigde zijn, maar het hoeft niet. Ook een buurman of een goede vriend kan een dergelijke schenking doen.

Anne Geert de Raad

 

Column november/december 2016 nummer van Youmedemblik

Onverwachte schuld

U heeft van mij nog een column tegoed over de bescherming van erfgenamen tegen onverwachte schulden. Op 1 september 2016 is een wetsvoorstel ingevoerd dat beoogt betere bescherming te bieden tegen een negatieve nalatenschap. De nieuwe wet wordt gedragen door twee pijlers waarvan ik de eerste al heb behandeld: door de nieuwe wet worden erfgenamen minder snel geacht zuiver te hebben aanvaard. Slechts gedragingen die leiden tot benadeling van schuldeisers hebben zuivere aanvaarding tot gevolg. En bij handelingen in het belang van de nalatenschap is sprake van goed beheer en niet van zuivere aanvaarding. De tweede pijler is zogezegd de bescherming tegen onverwachte schulden. Stel, u bent erfgenaam en u heeft zuiver aanvaard. Dit betekent dat u eigenaar wordt van de bezittingen van de overledene, maar ook dat u in uw eigen vermogen aansprakelijk wordt voor de schulden van de overledene. Maar wat als er opeens een schuld van de overledene blijkt te zijn waar u niets van wist? Vóór 1 september 2016 had u deze schuld zonder meer voor uw rekening moeten nemen. Vanaf deze datum is de positie van erfgenaam iets verbeterd. Als een erfgenaam wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld en de nalatenschap is ontoereikend om deze schuld te voldoen, dan kan deze erfgenaam binnen drie maanden na ontdekking van de schuld een verzoek bij de kantonrechter doen om te worden gemachtigd om alsnog de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Is de nalatenschap echter inmiddels al vereffend of verdeeld, dan kan de erfgenaam door de kantonrechter worden ontheven om de schuld te voldoen voor zover de schuld niet uit zijn erfrechtelijke verkrijging kan worden voldaan. Inderdaad een verbetering. Maar de verantwoordelijke minister heeft al wel aangegeven dat erfgenamen moeten onderzoeken welke verplichtingen de overledene had. Er zal derhalve niet snel sprake zijn van een onverwachte schuld.

Anne Geert de Raad