Column maart/april 2018 nummer van Youmedemblik

Overdrachtsbelasting

Het is nog niet zo lang geleden dat de overdrachtsbelasting die moest worden betaald bij het aankopen van een huis op 6% van de waarde lag. Tijdens de economische crisis is er voor woningen een verlaagd tarief van 2% geïntroduceerd, dit om de toen stagnerende woningmarkt te stimuleren. Inmiddels is de crisis voorbij en lijkt de maatregel niet meer nodig. Toch heeft het verlaagd tarief een structureel karakter gekregen en dat is maar goed ook. Met ingang van dit jaar kan immers nog maar 100% van de woningwaarde hypothecair worden gefinancierd. Dit betekent dat alle bijkomende kosten, ook de overdrachtsbelasting, uit eigen middelen moeten worden voldaan. Om voor het lage tarief in aanmerking te komen, moet er dus sprake zijn van een woning. Toen de maatregel is bedacht, was niet voorzien dat er over het begrip ‘woning’ zoveel te discussiëren valt. Is een kantoorgebouw waarin wordt gewoond een woning? Een object dat oorspronkelijk als woning is gebouwd, maar later als kantoor is gebruikt, geldt daar het lage tarief voor? En hoe zit het met een woning in aanbouw? Vorig jaar heeft de Hoge Raad in een aantal uitspraken het begrip ‘woning’ nader ingevuld. Het blijkt dat de geschiktheid en het feitelijk gebruik van een object geen relevante factoren zijn bij de beoordeling of sprake is van een woning. Het doet er dus niet toe of er in het object wordt gewoond en of het daarvoor geschikt is. Voorts speelt ook de intentie van de koper geen rol. Met andere woorden, het gaat er niet om wat de koper uiteindelijk met het object wil gaan doen. Het blijkt alleen van belang te zijn wat het doel is geweest waarvoor een object oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. De Hoge Raad voegt hier nog aan toe dat slechts ingrijpende bouwkundige ingrepen het object van karakter hebben kunnen veranderen. Dit geeft duidelijkheid.

Anne Geert de Raad

Column januari/februari 2018 nummer van Youmedemblik

Schenken

Het is 2018. Ik praat u graag bij over de jaarlijkse schenkingsvrijstellingen. Schenken houdt veel mensen bezig. Hiervoor zijn verschillende motieven, zoals het besparen van erfbelasting, het verlagen van de eigen bijdrage voor de WLZ en WMO, maar ook het simpelweg willen geven van contanten met de warme hand, tijdens leven. De schenking die jaarlijks belastingvrij kan worden gedaan door de ouder aan het kind bedraagt dit jaar € 5.363,00. Is het kind tussen 18 en 40 jaar oud, dan bestaat de mogelijkheid voor de ouder om eenmalig belastingvrij een schenking te doen van maximaal € 25.731,00. Deze schenkingen kunnen worden gedaan door het kind contant geld te geven of door het bedrag van de schenking over te maken op de bankrekening van het kind. Het is echter ook mogelijk om op papier te schenken. Dit gebeurt bij een notariële akte, waarin de ouders verklaren een bedrag schuldig te zijn aan het kind. Omdat er niets tegenover deze schuldigerkenning staat, wordt dit als een schenking gezien. Het vermogen van de ouder neemt op papier af en het vermogen van het kind neemt toe. Wel zijn er aan deze schuldigerkenning voorwaarden verbonden. Vorig jaar is een nieuwe eenmalige schenkingsvrijstelling geïntroduceerd die ook dit jaar geldt: een schenking in contanten van maximaal € 100.800,00 aan een persoon die tussen 18 en 40 jaar oud is, is belastingvrij mits dit bedrag verband houdt met verwerving, verbetering of onderhoud van een eigen woning, dan wel dit bedrag wordt gebruikt om een bestaande ‘eigen woning schuld’ of een ‘restschuld na verkoop woning’ af te lossen. Er wordt voor deze vrijstelling geen eis gesteld aan de hoedanigheid van de schenker. Dit mag uiteraard de ouder van de begiftigde zijn, maar het hoeft niet. Ook een goede vriend kan een dergelijke schenking doen.

Anne Geert de Raad

Column november/december 2017 nummer van Youmedemblik

Nieuwe huwelijksregels

De afgelopen maanden heb ik diverse columns geschreven over het nieuwe huwelijksvermogensrecht. Nu is het bijna 1 januari 2018. Vanaf deze datum trouwen partners daadwerkelijk niet langer standaard in de algehele gemeenschap van goederen, maar is deze gemeenschap beperkt. Uitgezonderd worden goederen die een partner reeds bij aanvang van het huwelijk bezat, alsmede goederen welke een partner gedurende het bestaan van de gemeenschap verkrijgt door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Ik heb de positie van de ondernemer besproken en laten zien dat de nieuwe wet juist extra reden geeft om de juridische gevolgen van het huwelijk vast te leggen in huwelijkse voorwaarden. Ik heb de situatie geschetst dat partners vóór het huwelijk gezamenlijk een huis hebben gekocht waarbij de ene partner meer heeft betaald dan de helft, door inbreng van eigen spaargeld. De andere partner heeft daardoor een schuld aan de ene partner. Door het huwelijk wordt deze schuld gemeenschappelijk en verarmt de partner met het spaargeld. Op 1 januari 2018 verandert ook de positie van de schuldeiser en zijn er wijzigingen in het faillissementsrecht. Het voert te ver om alles te bespreken, ik wil echter graag nog stilstaan bij één belangrijk onderdeel: erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen vallen niet meer in de gemeenschap. Betekent dit dat het niet meer nodig is om in een testament of bij de schenking te bepalen dat de koude kant wordt uitgesloten? Nee, de nieuwe regels gaan gelden voor huwelijken die worden gesloten vanaf 1 januari 2018. Dit houdt in dat het niet opnemen van een zogenaamde ‘uitsluitingsclausule’ betekent dat voor reeds bestaande huwelijken de verkrijging in de gemeenschap valt en dus ook toekomt aan de partner. En bij nieuwe huwelijken kunnen huwelijkse voorwaarden worden gemaakt die inhouden dat juist alles gemeenschappelijk wordt. Conclusie: het uitsluiten van de partner blijft belangrijk.

Anne Geert de Raad

Column september/oktober 2017 nummer van Youmedemblik


Nieuwe regels voor huwelijk

Vanaf 1 januari 2018 trouwen partners niet langer standaard in de algehele gemeenschap van goederen. Ik merk in de praktijk dat veel partners die vanwege een onderneming of een groot vermogensverschil onder het huidig stelsel huwelijkse voorwaarden zouden opstellen, nu denken dat dit vanaf 1 januari 2018 niet meer hoeft. ‘Vanaf volgend jaar is het standaard huwelijkse voorwaarden, toch?’. Dit is een misverstand! De wettelijke gemeenschap van goederen wordt helemaal niet afgeschaft, vanaf volgend jaar is deze echter niet meer algeheel maar beperkt. Van de gemeenschap worden namelijk uitgezonderd goederen die een partner reeds bij aanvang van het huwelijk bezat, alsmede goederen welke een partner gedurende het bestaan van de gemeenschap verkrijgt door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Wat betekent dit voor bijvoorbeeld een onderneming? Is de onderneming reeds vóór het huwelijk gestart, dan blijft dit deel van de onderneming privé. Maar het kan goed zijn dat de onderneming tijdens het huwelijk uitbreidt. Dan wordt de onderneming deels privé en deels gemeenschappelijk. Verder moet een privé onderneming aan de gemeenschap een vergoeding gaan betalen voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot in deze onderneming heeft aangewend. De hoogte van deze vergoeding hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Dit alles is precies wat de ondernemer niet wil. Ik schets graag ook de casus dat partners vóór het huwelijk gezamenlijk een huis hebben gekocht waarbij de ene partner meer heeft betaald dan de helft. De andere partner heeft daardoor een schuld aan de ene partner. Door het huwelijk wordt deze schuld gemeenschappelijk en verarmt de laatstgenoemde partner. Ook dit is onwenselijk. Door de nieuwe wet is er daarom juist extra reden om na te denken over de juridische gevolgen van het huwelijk en om deze vast te leggen in huwelijkse voorwaarden.

Anne Geert de Raad


Column juli/augustus 2017 nummer van Youmedemblik

Voogdij en bewind

Ouders hebben de plicht en het recht om hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Overlijdt één van hen, dan komt dit ouderlijk gezag meestal toe aan de ander. Overlijdt ook deze ouder, dan moet een derde het gezag over dit kind uitoefenen. De rechter zal het gezag toekennen aan een zogenaamde voogd, op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. Voor de naasten van het kind is dit een ingewikkelde en ingrijpende procedure. Het kan eenvoudiger door als ouder in een testament een voogdijbepaling op te nemen. Er wordt dan aan iemand verzocht om voogd te worden. Na het overlijden van de ouders aanvaardt de beoogde voogd de voogdij. Er wordt bijna altijd gekozen voor de zogenaamde eenhoofdige voogdij. Dit betekent dat één persoon tot voogd wordt benoemd. Het is ook mogelijk om twee personen tot gezamenlijke voogden aan te wijzen, maar dan worden deze voogden onderhoudsplichtig in hun eigen inkomen en vermogen en moeten zij het vermogen van het kind in stand houden. Dat is onwenselijk, er is meestal voldoende inkomen en vermogen bij het kind zelf om daaruit te worden grootgebracht. Zodra het kind 18 jaar oud is, vervalt de voogdij en heeft het zelf de beschikking over het vermogen dat het van zijn ouders heeft geërfd. In deze cruciale levensfase van jongvolwassene kan dit onwenselijk zijn. Het is daarom mogelijk om de voogdij te laten opvolgen door een bewind. Gedurende dit bewind kan het kind slechts tezamen met de bewindvoerder, meestal dezelfde persoon als de voogd, over diens vermogen beschikken. Ook de rechter speelt bij het bewind een rol. Heeft het kind een goede bestemming voor het geërfd vermogen maar weigert de bewindvoerder, dan kan het aan de rechter toestemming vragen om het geld toch voor dit doel te gebruiken.

Anne Geert de Raad


Column mei/juni 2017 nummer van Youmedemblik 

Exit gemeenschap van goederen

De kogel is door de kerk. Binnenkort trouwen en registreren partners naar Nederlands recht niet langer standaard in de wettelijke gemeenschap van goederen, een systeem dat naast ons land alleen in Suriname en Zuid-Afrika bestaat. In de afgelopen jaren zijn er meerdere wetsvoorstellen ingediend die allen een einde zouden maken aan het stelsel dat door het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap de beide vermogens van de partners in één gemeenschap van goederen vallen. Telkens haalden deze wetsvoorstellen de eindstreep echter niet. Nu is dat dan toch gebeurd. Op 28 maart 2017 ging de Eerste Kamer bij krappe meerderheid akkoord met een nieuwe wettelijke regeling. Vanaf 1 januari 2018 bestaat nog altijd standaard een wettelijke gemeenschap van goederen, maar deze is beperkt. Van deze gemeenschap zijn namelijk uitgezonderd goederen die een partner reeds bij aanvang van het huwelijk of geregistreerd partnerschap bezat, alsmede goederen welke een partner gedurende het bestaan van de gemeenschap verkrijgt door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift. Met deze ingrijpende wijziging komt de wetgever tegemoet aan de ontwikkeling dat steeds meer partners een leven lang niet huwen maar samenwonen alsook dat de koude uitsluiting bij huwelijkse voorwaarden snel aan populariteit wint. Er is met andere woorden een duidelijke individualiseringstendens in het recht waar te nemen en de nieuwe regels passen in deze gedachte. Is iedereen dan ook blij met de nieuwe wet? Nou nee, allerminst. Er is met name kritiek op het feit dat straks partners maar liefst vier (!!) vermogens hebben, namelijk het privévermogen van de ene partner, het privévermogen van de andere partner, de huwelijksgemeenschap en ten slotte de gemeenschap die is ontstaan doordat partners vóór hun huwelijk of geregistreerd partnerschap allerlei goederen al samen aanschaften. Bij een latere scheiding kan dit tot veel onduidelijkheid leiden. In een volgende column meer hierover.

Anne Geert de Raad